Het klimaat in de Hawke’s Bay regio is, zoals gezegd, bijna mediterraan. Lekker op het strand liggen dus. En aangezien m’n moeder gek is op schelpen en je toch niet met lege handen thuis wilt komen na een half jaar aan de andere kant van de wereld ben ik niet te beroerd om ook even schelpen te rapen.
Iedereen die in Nederland wel eens schelpen heeft geraapt, kent vast wel het verschijnsel ‘zeepok’. De zeepok komt ook in Nieuw Zeeland voor, maar is een stuk groter en kleurrijker dan in Nederland. In plaats van een halve pinknagel zijn deze ongeveer zo groot als het bovenste kootje van je duim. Ook zijn ze op de schelpen die ik zag liggen een stuk talrijker dan hun Europese broertje. Na jarenlang strandjutten op Schier wist ik gelukkig dat zeepokken kunnen stinken als de hel, dus ik was zo verstandig ze buiten te leggen. De volgende ochtend echter moest ik inpakken: wat te doen met de nog immer onwelriekende schelpen? “Tja,” zei Stella, “hoe mooi zijn ze? Als ze echt heel mooi zijn kun je ze uitkoken (in een pannetje dat niet van je zelf is gnagnagna), dat helpt, anders moet je ze maar laten liggen…” Goed, uitkoken dus. Schelp in het pannetje, water erbij, deksel erop, en op het vuur. Niet lang daarna kwam het water aan de kook en begon de pan een parazintuigelijk smerige geur uit te braken die de gehele gastenkeuken vulde. Ik heb geprobeerd me te verzetten maar algauw werd het mij teveel en goot ik kokhalzend de inhoud van de pan door de gootsteen en smeet ik de nog immer stinkende wulk ver, ver weg. Sorry mama…
Ik heb het nog op kunnen brengen van de overige gepokte schelpen wat foto’s te maken. Hierop is ook duidelijk zichtbaar dat er nog een beestje in de zeepok zit. Deze volgen binnenkort, zodra ik niet meer misselijk ben…


